Voorrang
Wie mag eerst? De voorrangsregels bepalen op elk kruispunt wie doorrijdt en wie wacht. Ken de rangorde en de uitzonderingen.
De rangorde van de voorrang
Op een kruispunt kunnen verschillende regels tegelijk van toepassing lijken. De wegcode legt een vaste volgorde vast (art. 6), van sterk naar zwak:
- De bevelen van een bevoegd persoon, zoals een politieagent, gaan boven alles. Volg ook altijd de tekens van een gemachtigd opzichter.
- Daarna komen de werkende verkeerslichten. Zolang de lichten werken, gelden de voorrangsborden op dezelfde weg niet.
- Dan de verkeersborden (bv. B1, B5, B9, B15, B17).
- Pas als er niets van dat alles is, gelden de verkeersregels, zoals de voorrang van rechts.
Knippert alleen het oranjegele licht, dan regelen de lichten niets. U volgt dan de voorrangsborden, en als die er niet zijn, de voorrang van rechts.
Voorrang van rechts
Op een kruispunt zonder borden of lichten verleent u voorrang aan elke bestuurder die van rechts komt (art. 12.3.1). Het speelt geen rol wie er eerst was of wie de breedste weg heeft. De bestuurder van rechts verliest zijn voorrang ook niet als hij even gestopt is.
De voorrang van rechts geldt niet:
- als u op een rotonde rijdt;
- als de bestuurder van rechts uit een verboden rijrichting komt;
- voor wie komt van een weg met een bord B1 of B5;
- voor wie van een aardeweg of een pad op een verharde weg komt.
Wie een manoeuvre uitvoert, verleent voorrang aan alle andere weggebruikers (art. 12.4). Manoeuvres zijn onder meer: van rijstrook of file veranderen, de rijbaan oversteken, een parkeerplaats verlaten of oprijden, uit een garage of oprit komen, keren en achteruitrijden. Wie een trottoir of fietspad oversteekt, verleent voorrang aan wie het trottoir of fietspad gebruikt (art. 12.4bis).
Afslaan, trams en rotondes
Wie links afslaat, verleent voorrang aan de tegenliggers (art. 19.3). Wie afslaat, in welke richting ook, verleent voorrang aan fietsers en voetgangers die rechtdoor gaan op het fietspad of trottoir van dezelfde weg, en aan voetgangers die de straat oversteken waar u in rijdt (art. 19.4 en 19.5).
Trams hebben voorrang op alle andere weggebruikers, ook als ze van links komen (art. 12.1). Ze kunnen niet uitwijken en remmen traag. Alleen verkeerslichten of een bevoegd persoon kunnen de tram laten wachten.
Op een rotonde (bord D5, met B1 of B5 aan de toegangswegen) heeft het verkeer op de rotonde voorrang. Bij het oprijden van de rotonde gebruikt u geen richtingaanwijzer; bij het verlaten zet u uw rechter richtingaanwijzer aan (art. 19.2).
Bijzondere situaties
- Hoort u de sirene van een prioritair voertuig (meestal ook met blauw zwaailicht), dan maakt u meteen de doorgang vrij, verleent u voorrang en stopt u zo nodig (art. 38).
- In de bebouwde kom laat u een bus die dezelfde richting uitgaat vertrekken van zijn halte zodra hij zijn richtingaanwijzer aanzet. U vertraagt en stopt zo nodig (art. 39).
- Valt een rijstrook weg en rijdt het verkeer sterk vertraagd, dan wordt geritst: u voegt pas vlak voor de versmalling in, en op de doorgaande strook laat u beurtelings één bestuurder voor (art. 12bis).
- Een rood licht betekent stoppen vóór de stopstreep, ook bij een leeg kruispunt om 3 uur 's nachts. Door rood rijden is een overtreding van de derde graad.