Inhalen en kruisen
Inhalen gebeurt links, met voldoende zicht en zonder anderen te hinderen. Op een aantal plaatsen is het verboden, en dat zijn zware overtredingen.
Links inhalen, met twee uitzonderingen
Inhalen doet u langs links (art. 16.3). Er zijn twee uitzonderingen:
- Een bestuurder die aangeeft dat hij links afslaat en al naar links is opgeschoven, haalt u rechts in.
- Een tram haalt u rechts in. Links mag alleen als rechts niet kan (te smal of een hindernis) of in een straat met eenrichtingsverkeer (art. 16.9).
Voor u links inhaalt, controleert u of de weg ver genoeg vrij is, of niemand achter u al begonnen is met inhalen, of u zonder hinder weer rechts kunt gaan rijden en of u snel kunt inhalen (art. 16.4). U gebruikt uw richtingaanwijzer voor het uitwijken en voor het terugkeren. Wie ingehaald wordt, gaat zo ver mogelijk naar rechts en mag niet sneller gaan rijden (art. 16.7).
Waar inhalen verboden is
Links inhalen is altijd verboden als u tegenliggers niet van ver genoeg ziet aankomen (art. 17.1). Daarnaast mag u een motorvoertuig of gespan niet links inhalen (art. 17.2):
- bij het naderen van de top van een helling en in bochten, als het zicht onvoldoende is;
- op een overweg zonder slagbomen en zonder verkeerslichten;
- op een kruispunt waar u geen voorrang hebt: waar de voorrang van rechts geldt, of waar u een bord B1 of B5 hebt;
- als de bestuurder voor u zelf al iets anders dan een fiets of tweewieler aan het inhalen is;
- bij een oversteekplaats voor voetgangers of fietsers zonder verkeerslichten of bevoegd persoon: als de bestuurder voor u er stopt of ze nadert;
- op een verhoogde inrichting (zoals een verkeersplateau);
- waar het bord C35 staat, tot het bord C37 (voor voertuigen met meer dan twee wielen).
Op deze plaatsen mag u een fietser wel inhalen, met voldoende afstand. Inhalen bij een helling of bocht zonder zicht is een overtreding van de vierde graad. Inhalen aan een overweg, aan een oversteekplaats of terwijl uw voorligger zelf inhaalt, is een overtreding van de derde graad.
Autosnelweg: nooit keren, nooit achteruit
Op de autosnelweg en de autoweg is het verboden te keren, achteruit te rijden, in de tegenrichting te rijden of de dwarsverbindingen in de middenberm te gebruiken. Dat zijn overtredingen van de vierde graad. Wie zijn afrit mist, rijdt door tot de volgende. Stilstaan en parkeren mag er alleen op parkeerstroken met het bord E9a, of bij pech.
De pechstrook is voor voertuigen in nood. Erover rijden om een file te omzeilen is verboden en is een overtreding van de derde graad; alleen hulpdiensten, takelwagens en door de politie opgeroepen diensten mogen er in die situatie rijden (art. 9.7). Bij file vormt u een reddingsstrook: op twee rijstroken gaat de linkerstrook uiterst links en de rechterstrook uiterst rechts; bij meer rijstroken ontstaat de reddingsstrook naast de linkse rijstrook (art. 9.8). Rij rechts en gebruik de linkerrijstroken om in te halen.
Kruisen
Kruisen gebeurt rechts (art. 15.1). U laat voldoende ruimte opzij en wijkt zo nodig naar rechts uit. Wie verder rijden belemmerd wordt door een hindernis aan zijn kant (geparkeerde auto, werken), vertraagt en stopt zo nodig om de tegenligger door te laten (art. 15.2). In een smalle doorgang regelen de borden B19 (voorrang verlenen) en B21 (voorrang hebben) wie eerst mag.
Bij het kruisen of inhalen van een fietser of bromfietser laat u minstens 1 m zijdelingse afstand, en 1,5 m buiten de bebouwde kom (art. 40ter).